De Toller: Gezondheid

Zoals bij elke hond kunnen er ook bij de Toller een aantal gezondheidsproblemen voorkomen. Voor een aantal van deze problemen bestaan DNA tests waardoor de fokstrategie hierop gebaseerd kunnen worden. Op deze manier hebben fokkers de afgelopen jaren kunnen zorgen dat een aantal van deze problemen in de praktijk niet meer voor hoeven te komen doordat we het risico kunnen reduceren naar 0% door middel van het maken van verantwoorde combinaties. Voor andere aandoeningen ligt het iets ingewikkelder. Sommige erfelijke aandoeningen liggen op meerdere genen (polygeen), waardoor selecteren hierop heel moeilijk is. In andere gevallen is erfelijkheid (nog) niet bewezen of hebben onderzoekers het juiste gen nog niet gevonden. En dan bestaan er ook nog aandoeningen waarbij het milieu ook een rol speelt (multifactoreel). Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld de voeding van de hond, medicijngebruik of (verkeerde) beweging. Hieronder volgt een samenvatting van aandoeningen die bij de Toller voorkomen of waar op getest kan worden.

Gewrichtsproblemen

Heupdysplasie

Heupdysplasie is een aandoening die bij veel grote en middelgrote rassen voorkomt. In principe is het niets anders dan een afwijkende ontwikkeling van het heupgewricht. Het heupgewricht bestaat uit een heupkop die in een heupkom beweegt. Als een van beide afwijkend van vorm is kunnen pijnklachten ontstaan voor de hond. Dit zal voornamelijk te merken zijn wanneer de hond opstaat na rust of na intensieve beweging. Bij ernstige HD is er sprake van chronische pijnklachten en zal de hond soms zichtbaar moeilijk lopen. Na enige tijd kan er ook slijtage (artrose) ontstaan. Honden met HD worden beperkt in hun beweging en kunnen vaak niet deelnemen aan hondensporten die fysiek zwaar zijn (bijvoorbeeld agility of flybal). Ook dagelijkse beweging in de vorm van wandelingen moeten soms worden aangepast. Sommige honden die lijden aan HD hebben baat bij hydrotherapie of supplementen om klachten te verminderen. In ernstige gevallen is chirurgisch ingrijpen noodzakelijk.

Heupdysplasie is deels erfelijk, maar ook het milieu heeft invloed op het al dan niet ontstaan van HD. Met milieu bedoelen we de factoren van buitenaf, zoals beweging en voeding. Voeding met een verkeerde calcium/fosfor balans kan de groei van de botten verstoren en voor problemen in de ontwikkeling zorgen. Daarnaast is beweging een heel belangrijke factor in het ontstaan van HD. De botten van een pup bestaan nog deels uit kraakbeen, dit maakt lengtegroei mogelijk maar kraakbeen is ook kwetsbaar en kan beschadigd raken als een jonge hond te veel of verkeerde beweging krijgt. Naarmate de hond volwassen wordt en de lengtegroei stopt zal het kraakbeen verbenen, maar tot die tijd zal men voorzichtig moeten zijn met beweging. Rechtlijnig bewegen is minder schadelijk en daarbij goed voor de spieropbouw, maar ook hierbij kan men de pup overbelasten. Plotselinge bewegingen zoals tijdens het apporteren of wild spelen met andere (grote honden) is een grotere belasting voor de gewrichten en moet met mate worden toegelaten. Intensief sporten voor bijvoorbeeld agility of flyball wordt om dezelfde reden afgeraden tot de hond 12-18 maand is.

De rasvereniging eist dat fokdieren getest zijn op HD alvorens ze voor de fok worden ingezet. Acceptabel in de fokkerij in Nederland zijn HD A en B. Deze screening zegt echter alleen iets over de heupen van de ouderdieren, de erfelijkheid is nog onbekend en staat los hiervan. Zo kan het voorkomen dat een hond uit twee ouders met goede heupuitslagen toch HD ontwikkelt.

Elleboogdysplasie

Dit is een verzamelnaam voor verschillende aandoeningen waarbij het ellebooggewricht abnormaal ontwikkeld is. Hieronder vallen onder andere LPA, LPC en OCD. Dit kan een beschadiging van het kraakbeen zijn, maar ook botstukjes die los schieten en het gewricht irriteren. Dit kan in een later stadium artrose veroorzaken. De symptomen zijn net als bij HD kreupelheid, pijnklachten en stram lopen. Net als bij heupdysplasie speelt erfelijkheid een rol, maar hebben ook factoren van buitenaf een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de gewrichten. De ellebogen worden vooral belast tijdens het springen. Tijdens de landing wordt de klap opgevangen door de voorhand: polsen, ellebogen en schouders. Dit moet dan ook voorkomen worden voor een hond in de groei.

Een ED screening voor ouderdieren wordt niet verplicht gesteld door de rasvereniging. Wel kan men vrijwillig bepalen om een hond te laten testen op ED. Honden met ED graad 1, 2 of 3 zijn uitgesloten voor de fokkerij in Nederland.

Andere gewrichtsaandoeningen die incidenteel voorkomen zijn Radius Curvus Syndroom (RCS) en Patella Luxatie (PL).

Oogaandoeningen:

PRA

PRA staat voor progressieve retina atrofie. Een verzamelnaam voor een aantal aandoeningen waarbij de retina (netvlies) verkleind na verloop van tijd. Dit is een progressieve aandoening waarbij de hond uiteindelijk blind zal worden. De vorm die bij de Toller voorkomt is PRA-prcd: progressive rod-cone degeneration. Het betreft een erfelijke aandoening. De leeftijd waarop het zich openbaart is erg verschillend. Zo is het ook mogelijk dat een hond die lijder is van dit gen in zijn leven nooit te maken krijgt met PRA klachten. Het is een autosomaal-recessieve aandoening, wat inhoudt dat beide ouderdieren drager moeten zijn om lijders te produceren. Met de komst van een DNA test voor PRA jaren geleden is er voor fokkers nu de mogelijkheid om deze ziekte te voorkomen. Dit kan door middel van het combineren van dragers met vrije honden. Twee dragers kunnen lijders produceren en het wordt dan ook streng afgeraden om deze combinatie te maken.

Distichiasis

Bij distichiasis is er sprake van haren die groeien op de ooglidrand. Dit kunnen zachte of harde haren zijn, waarvan bij de Toller vrijwel alleen zachte haren bekend zijn. In het geval van harde haren kunnen deze de oogbol irriteren en zelfs het hoornvlies beschadigen. In het geval van zachte haren zijn er maar zeer zelden klinische symptomen. Distichiasis is een erfelijke afwijking, maar de wijze van overerving is tot op heden onbekend. Ook kunnen deze haren uitvallen tijdens een ruiperiode waardoor tijdens een onderzoek soms geen distichiasis zichtbaar is. Distichiasis wordt herkend tijdens de jaarlijkse ECVO oogtest, waarbij naar verschillende oogaandoeningen wordt gekeken. De rasvereniging vraagt om een jaarlijkse ECVO test voor fokdieren. Als er eenmaal distichiasis geconstateerd wordt, kan een hond daarna niet meer vrij getest worden. Ook als bij een volgende test geen haren op de ooglidrand gezien worden. Tijdens deze ECVO test worden de ogen getest op meerdere afwijkingen. Volgens het fokreglement van de rasvereniging is het toegestaan om te fokken met honden met distichiasis. Een relatief groot deel van de populatie heeft een of meerdere haren op de ooglidrand, maar klinische symptomen zijn er maar heel zelden.

Andere oogaandoeningen die incidenteel voorkomen zijn cataract (staar) en goniodysgenese.

Aandoeningen van het immuunsysteem

Aseptische Meningitis

Ook wel afgekort tot AM of SRMA, wat staat voor Steroid-Responsieve Meningitis-Artritis.

Bij Aseptische Meningitis is er sprake van een hersenvliesontsteking die wordt veroorzaakt door een reactie van het eigen immuunsysteem. Het betreft dus een auto-immuunziekte. Symptomen zijn koorts, stram lopen (alsof ze op eieren lopen), pijn in de nek en rug en mogelijk een verminderde eetlust. De diagnose kan worden gesteld na een bloedonderzoek en punctie van het hersenvocht waarin zich ontstekingscellen zullen bevinden. Vervolgens start de behandeling met een hoge dosering prednison om het immuunsysteem te onderdrukken. Vaak voelen honden zich al na korte tijd veel beter, waarna de prednison voorzichtig afgebouwd dient te worden. Het komt voor dat de hond een terugval krijgt tijdens dit afbouwen, waardoor de dosering weer verhoogd zal moeten worden. Vaak komt de ziekte tot uiting bij jonge honden vanaf een maand of 4 tot 24. Veel honden groeien er na die leeftijd overheen en zullen daarna nagenoeg klachtenvrij zijn, ook nadat de medicatie is afgebouwd. Toch wordt geadviseerd om met deze honden voorzichtig om te gaan met middelen die het immuunsysteem kunnen triggeren, zoals vaccinaties en antiparasitaire middelen.

De precieze vererving van AM is nog onbekend, maar het is zeer aannemelijk dat erfelijkheid een rol speelt. De ziekte kan in principe bij elk ras voorkomen maar wordt bovengemiddeld vaak gezien bij verschillende rassen, waaronder de Boxer, Beagle en Toller. Omdat de precieze genen die verantwoordelijk zijn voor deze aandoening nog niet in kaart gebracht zijn, kan er nog geen DNA test ontwikkeld worden. Het is aan de fokkers van het ras om risico's op deze ziekte in te schatten aan de hand van de aanwezige informatie. Sommige lijnen lijken een groter risico te vormen op het ontwikkelen van AM, maar vanwege de onduidelijkheid rondom deze aandoening hebben we nooit 100% zekerheid en blijft het gokken op het maken van verantwoorde combinatie.

Ziekte van Addison

De ziekte van Addison is een aandoening aan de bijnieren. De bijnieren zijn klieren die hormonen produceren waarmee ze verschillende processen in het lichaam in balans houden. De bijnieren zorgen voor de productie van cortisol en aldosteron. Bij een hond met de ziekte van Addison wordt van beide hormonen onvoldoende aangemaakt. Cortisol is de tegenhanger van adrenaline en wordt geactiveerd om adrenaline in het lichaam te verminderen wanneer dit nodig is. In de praktijk betekent dit dat een hond adrenaline aanmaakt in een stress situatie waarbij hij snel moet handelen. Adrenaline zorgt ervoor dat een hond (en mens) instinctief kan handelen in situaties die levensbedreigend kunnen zijn. Adrenaline vraagt het uiterste van het lichaam, zodat het zo sterk mogelijk is op het moment dat dit nodig is. Zodra de situatie is gekalmeerd wordt er cortisol aangemaakt om het adrenalinegehalte te verlagen en de hond weer tot rust te brengen. In het geval van de ziekte van Addison is er onvoldoende aanmaak van cortisol, wat als gevolg heeft dat de hond kan blijven hangen in de stress situatie, soms tot hij in shock raakt. Dit kan zonder behandeling een dodelijke afloop hebben. Een tekort aan cortisol kan ook tot algehele malaise en een verlaagde bloedsuiker leiden.

Aldosteron is een hormoon dat zorgt voor een goede electrolytenbalans in het bloed. Door een verstoring in dit systeem hebben honden met de ziekte van Addison een tekort aan natrium en een overmaat aan kalium in hun bloed. Dit heeft als gevolg dat de bloeddruk en hartslag daalt en er een vochtverlies in het lichaam ontstaat. Begrijpelijk is dat een hond met deze ziekte veel verschillende klachten heeft. Tijdens een crisis ten gevolge van adrenaline-aanmaak kan de hond in shock raken en zodoende uitdrogen of hartproblemen krijgen. De alledaagse klachten zijn milder, al vertoont de ene hond meer symptomen dan de ander. Symptomen zijn braken, diarree, bloederige ontlasting, een slechte eetlust en vermagering, vermoeidheid, veel drinken en veel plassen.

Bij het vermoeden van Addison kan een bloedtest aantonen of de natrium en kaliumwaardes inderdaad verstoord zijn. De diagnose kan bevestig worden met een zogenaamde ACTH test, die de werking van de bijnieren peilt. Als de diagnose op tijd gesteld wordt kan er behandeld worden door middel van het toedienen van de hormonen die onvoldoende aanwezig zijn. Dit zal levenslang nodig zijn, maar indien dit stabiel en in balans blijft, heeft de hond een normale levensverwachting.

Deze ziekte kan verschillende oorzaken hebben. Er zijn auto-immuun vormen die erfelijk kunnen zijn. Inmiddels een DNA-test ontwikkeld voor de juveniele auto-immuun vorm: de JADD test (juvenile Addisons disease). Met deze test kunnen we de erfelijke aanleg voor deze vorm van Addison bepalen. Toch is dit niet de enige vorm. De ziekte kan ook op latere leeftijd tot uiting komen, dit is een andere vorm en de erfelijkheid is nog niet in kaart gebracht. Ook kan de ziekte veroorzaakt worden door andere factoren die de bijnieren hebben aangetast, zoals gebruik van medicatie of verwondingen.

(Immuungemedieerde) Polyartritis

Zoals de naam doet vermoeden is ook IMPA een auto-immuunziekte. Door een verstoring in het immuunsysteem ontstaan er meerdere ontstekingen in de gewrichten van de hond. De typische symptomen zijn dan ook plotselinge ontstekingen en verdikkingen aan bijvoorbeeld de poten. De ontstekingen kunnen zich snel verplaatsen waardoor de hond af en aan mank of stram loopt aan een of meerdere poten. Op de plaats van de ontsteking kan er een verdikking ontstaan die warm aanvoelt. Vaak heeft de hond hierbij ook koorts.

IMPA kan gediagnosticeerd worden met bloedonderzoeken en een punctie uit een ontstoken gewricht. Als de diagnose is gesteld kan de hond behandeld worden. De behandeling is erg afhankelijk van de onderliggende oorzaak. IMPA wordt soms gezien bij een ander auto-immuunprobleem en komt bijvoorbeeld wel eens voor in combinatie met SRMA. Maar het kan ook een gevolg zijn van een tekenziekte, leishmania of een chronische ontsteking. Ook zijn er aanwijzingen dat IMPA kan ontstaan als bijwerking na een enting, maar hierover moet nog veel onderzoek gedaan worden. In de meeste gevallen lijkt de behandeling op die van SRMA; het immuunsysteem wordt tot rust gebracht met prednison wat langzaam wordt afgebouwd. In veel gevallen werkt dit snel en goed, maar soms blijft een hond klachten houden en moet er gekeken naar een onderliggende ziekte die behandeld moet worden.

Over deze ziekte is helaas nog veel onbekend. Behalve een vorm die mogelijk erfelijk is, zijn er nog veel andere factoren die IMPA kunnen veroorzaken. Het is daarom vaak moeilijk om per individu in te schatten of erfelijkheid een rol heeft gespeeld. Wat wel belangrijk is bij een hond die IMPA heeft (gehad) is om het immuunsysteem niet meer te belasten dan nodig is, om een terugval te voorkomen. Dit houdt in dat de hond niet meer dan strikt noodzakelijk gevaccineerd moet worden en er voorzichtigheid geboden is met antiparasitaire middelen en medicijnen.

Andere aandoeningen aan het immuunsysteem die incidenteel voorkomen binnen het ras zijn SLE en DLE, beide vormen van Lupus.

Aandoeningen van het zenuwstelsel

Degeneratieve Myelopathie (DM)

Deze ziekte tast het ruggenmerg aan, waardoor verlammingsverschijnselen ontstaan. De zenuwen, die allen samenkomen in het ruggenmerg, worden omgeven door de zogenaamde witte stof. In het geval van DM wordt deze witte stof aangetast en verdwijnt de myeline, een vloeistof die om de zenuwen ligt ter bescherming. Als gevolg daarvan zullen de zenuwen ook langzaam afsterven en verdwijnen (degenereren). De hond zal controle verliezen over steeds meer spieren. Dit begint vaak met de spieren in de achterhand, waarna steeds meer lichaamsdelen aangetast worden. Uiteindelijk zal de hond overlijden of kiest de eigenaar voor euthanasie. Het verloop kan erg wisselend zijn, bij sommige honden ontwikkelt de ziekte snel maar dit kan ook maanden of zelfs jaren duren. Een goede fysieke conditie kan het verloop wat vertragen, maar genezing is niet mogelijk. Vaak openbaart de ziekte zich op latere leeftijd. Vanaf 8 jaar is mogelijk, maar later komt ook voor. De symptomen worden dan ook nogal eens verward met algemene ouderdomsklachten. Sinds 2008 is er een DNA test beschikbaar voor een van de bekende types DM. Mogelijk zijn er meer types die deze aandoening veroorzaken, maar het type waarop getest kan worden (SOD1) is de soort die binnen de Toller voorkomt. De hond kan getest worden als lijder, drager of vrij van het gen dat DM veroorzaakt. Toch zitten er wat haken en ogen aan deze test, en is de precieze vererving niet bekend. Zo is het mogelijk dat dragers toch klinische symptomen vertonen, en bij lijders komt de ziekte soms niet tot uiting. Deze test wordt niet verplicht door de rasvereniging, maar wanneer een hond bewezen drager is van het SOD1 gen, mag hier alleen mee gefokt worden in combinatie met een hond die vrij getest is. Gelukkig is het aantal Tollers dat bewezen leidt aan DM heel erg klein.

Degeneratieve Encephalopathie (DE)

DE is een aandoening die tot nu toe alleen bij de Toller lijkt voor te komen. Enkele jaren geleden werd per toeval de ziekte ontdekt toen meerdere honden uit een nest dezelfde symptomen kregen. Wat begon met een haperende coordinatie en een vreemde houding tijdens het zwemmen verergerde naar angstig gedrag en agressie naar de omgeving. De honden werden uiteindelijk allemaal ingeslapen rond de 3-5 jaar en hun bloed en weefsel werd bewaard voor onderzoek. Dit onderzoek werd direct opgepakt door wetenschappers uit zowel Europa als Amerika en in 2015 kon een diagnose gesteld worden en kwam er een DNA test beschikbaar: de honden leden aan Degeneratieve Encephalopathie, afgekort naar DE.

Hierbij sterven belangrijke delen van de hersenen langzaam af. Dit begint met milde neurologische verschijnselen maar de klachten verergeren naarmate de degeneratie ook verder gaat. Dit proces is helaas niet te stoppen en onomkeerbaar, er komt daarom een moment waarop de hond het best ingeslapen kan worden. De DNA test biedt nu mogelijkheden om geen lijders van de ziekte meer te fokken. De ziekte vererft autosomaal recessief: een hond kan vrij, drager of lijder zijn. Een lijders heeft twee zieke kopieen van het gen, een drager een zieke en een gezonde en een vrije hond twee gezonde kopieen. Dragers kunnen in de fok veilig gecombineerd woden met vrije honden zonder dat er pups met DE geboren worden. Twee dragers combineren is uit den boze omdat hieruit wel lijders geboren kunnen worden.

Meer informatie over DE in Tollers is hier te vinden: www.caninegeneticdiseases.net/Toller/